gerelateerde werken
Fauxbourdon : for ensemble, 1991-1992, revision 1993 / Ton de Leeuw
Genre:
Kamermuziek
Subgenre:
Gemengd ensemble (2-12 spelers)
Bezetting:
fl cl mar man pf(synth) vl vla
Aan mijn vaderland : 3e symphonie, voor orkest, 1886 / Bernard Zweers
Genre:
Orkest
Subgenre:
Orkest
Bezetting:
4444 6343 2altoh timp perc 2hp str
Monologues : for orchestra, 1998 / Immanuel Klein
Genre:
Orkest
Subgenre:
Orkest
Bezetting:
3333 4331 4perc hp pf str
Genre:
Orkest
Subgenre:
Orkest
Bezetting:
4460 3341 6perc pf str
compositie
Ombres : voor symfonieorkest, 1960/1961 / Ton de Leeuw
Overige auteurs:
Leeuw, Ton de
(Componist)
Toelichting:
Program note (Dutch): (Première: 7-10-1962 - Concertgebouw, Amsterdam - Concertgebouworkest o.l.v. Bernard Haitink) - In een vorig orkestwerk, de Mouvements rétrogrades, werd de muziek vergeleken met een ronddraaiend kristal dat aan zichzelf gelijk blijft, maar voortdurend andere lichtwaarden reflecteert. Dezelfde statische conceptie vinden we terug in het orkestwerk 'Ombres', maar nu met geheel andere formele middelen gerealiseerd. De bewegingen in de muziek zijn hier wellicht vergelijkbaar met de geheimzinnige, zichzelf in evenwicht houdende krachten van de natuur, en met haar wonderlijk complexe vormenwereld waarvan de wetmatigheden slechts langs de wegen der menselijke intuïtie benaderbaar zijn. De titel wil aangeven, dat de muziek, als menselijk geordende beweging, hiervan slechts een schaduwbeeld kan geven. Bovenstaande vergelijking heeft pas dan zin, als de achtergrond ervan belicht wordt. De weerspiegeling van buiten en boven de mens staande krachten houdt namelijk in dat de muziek ophoudt een
al te subjectieve expressie te zijn. Het ik van de kunstenaar treedt naar achteren. Niet de wilsacte, maar de overgave wordt primair, hetgeen een persoonlijk handschrift geenszins uitsluit. Deze conceptie is in strijd met die van de meeste muziek, die in de Europese concertzalen wordt uitgevoerd. Daarentegen is zij bepalend - om ons tot de levende muziek te beperken - voor de belangrijkste muziekculturen buiten Europa. Het is dan ook niet toevallig, dat naast een keuze uit seriële middelen enkele muziektechnische aspecten met name uit India een grote rol spelen. Het heeft weinig zin hierover in details te treden. Slechts zij nog vermeld dat het werk vier delen heeft, en dat voor de bezetting in principe is uitgegaan van het normale orkest, waarin echter ook een belangrijke plaats is toebedeeld aan slag- en tokkelinstrumenten. - TON DE LEEUW