gerelateerde werken
Invocations : for mezzo-soprano, mixed choir and instrumental ensemble, 1983 / Ton de Leeuw
Genre:
Vocaal
Subgenre:
Gemengd koor en instrumenten
Bezetting:
sopr-m 3sopr 3alt 3ten 3bas 3cl h trb 2perc pf(el.pf)
Capriccio : opus 11, voor kamerorkest, 1985 / Marc van Delft
Genre:
Orkest
Subgenre:
Groot ensemble (12 of meer spelers)
Bezetting:
3020 sax-a 2020 1-2perc pf 2vl vla vc cb
Saqar : for large ensemble / Martyna Kosecka
Genre:
Orkest
Subgenre:
Groot ensemble (12 of meer spelers)
Bezetting:
fl/picc ob/lupophon cl/cl-b sax-a/sax-cb fg h tpt trb 2perc hp pf 2vn vla vc db
Passevite : for ensemble, 1994 / Guus Janssen
Genre:
Orkest
Subgenre:
Groot ensemble (12 of meer spelers)
Bezetting:
1121 1000 perc pf 2vl vla vc cb
compositie
Spatial music IV : homage to Igor Strawinsky, for twelve players / Ton de Leeuw
Auteur(s):
Leeuw, Ton de
(Componist)
Toelichting:
Program note (Dutch): Spatial Music IV - Hommage aan Igor Strawinsky - valt in de serie van gelijknamige werken (Spatial Music I-III) waarin de ruimtelijke opstelling der musici een wezenlijke rol is gaan spelen in het verloop van de muziek. De musici nemen drie basisopstellingen in.
Deze opstellingen, en de verplaatsingen daartussen, gaan gepaard met evenzoveel verschillende muzikale geaardheden. Om slechts de twee uitersten aan te geven: bij de grootste ruimtelijke spreiding is er sprake van een samenspel van geheel onafhankelijke partijen. De spelers zijn als het ware geïsoleerd van elkaar, en slechts verbonden door dezelfde aangegeven tijdslimieten.
Het andere uiterste brengt een 'inkrimping' van alle musici om de vleugel heen - de klassieke opstelling dus - en dit is het moment waarop een Strawinsky-koraal wordt gereciteerd; een muziek dus, waarin alle stemmen op klassieke wijze nauw op elkaar zijn betrokken.
Er zijn twaalf spelers; een gedeelte daarvan met een keuzemogelijkheid uit verschillende instrumenten. Evenals in Spatial Music I is er sprake, niet van improvisatie, maar van geleide interpretatie: de notentekst is het geraamte waarop en waar omheen de speler binnen nauwkeurig aangegeven grenzen versieringen, kleuren en dynamische schakeringen kan aanbrengen. Hij moet daarbij zorgvuldig zijn instrumentale mogelijkheden afwegen. De vrijheid en autonomie die hij daardoor kan krijgen, is zeer wel vergelijkbaar met die, welke nog heden in de grote Aziatische muziekculturen in gebruik is. - TON DE LEEUW