componist

Frid, Géza

Géza Frid is een gematigd modern componist en heeft in zijn schrijfwijze een markant gevoel voor ritme en melodische fantasie, die geworteld is in de muziekfolklore van zijn geboorteland Hongarije.

gerelateerde werken

Een suite voor De Suite : tien composities voor piano (2- en 4- handig), twee piano's [en] viool en piano / van tien componisten

Genre: Kamermuziek
Subgenre: Piano; Viool en toetsinstrument
Bezetting: pf pf4h 2pf vl and pf

Mouvements rétrogrades : for orchestra, (1957) / Ton de Leeuw

Genre: Orkest
Subgenre: Orkest
Bezetting: pic 2fl 2ob ob(eh) 2fg cfg 4h 3trp 3trb tb timp 2perc cel hp pf str

Suite : (1938-'39) / Louis Toebosch

Genre: Orkest
Subgenre: Orkest
Bezetting: 2322 4231 timp perc str

Symfonietta : voor kamerorkest, VII-VIII-1943, op. 26 / Ary Verhaar

Genre: Orkest
Subgenre: Orkest
Bezetting: 0100 1000 str

 

compositie

Caecilia-ouverture : op. 45 / Géza Frid

Uitgever: Amsterdam: Donemus, cop. 1954
Uitgavenummer: 03670
Genre: Orkest
Subgenre: Orkest
Bezetting: 3222 4331 timp perc str
Bijzonderheden: Bron van beschr.: koptitel. - Voor orkest. - In opdracht van de Johan Wagenaarstichting. - Jaar van comp.: 1953. - Tijdsduur: 8'
Tijdsduur: 8'00"
Status: nog niet gedigitaliseerd (verwachte levertijd 14 dagen)

Toelichting:
Program note (Dutch): (Première: 1-2-1958 - Concertgebouw, Amsterdam - Concertgebouworkest o.l.v. Antal Dorati). Daar het stuk Nederlands van karakter moest zijn en geschikt om als opening van een orkestconcert te dienen, leek het mij een goede gelegenheid om hiervoor van de mijns inziens ten onrechte verwaarloosde oud-Nederlandse folklore gebruik te maken. Mijn keus viel op het bekende Vlaamse volksliedje 'Ik zag Caecilia komen', een eeuwenoude melodie, die van tijd tot tijd in verschillende plaatsen van Europa opduikt (in Engeland, Scandinavië en zelfs in Noordoost-Europa). In Smetana's Moldau komt men haar, weliswaar enigszins gewijzigd, tegen en merkwaardigerwijze vertoont ook het tegenwoordige officiële Israëlsche volkslied grote gelijkenis met de Caecilia-melodie.
Ofschoon versmolten met het overige thematisch materiaal van eigen vinding bepaalt dit volkslied uitdrukkelijk karakter en opbouw van de ouverture. Na enkele maten inleiding verschijnt de Caecilia-melodie eerst voor solo-cello (Andante dolente), wordt dan voortgezet door de violen en weer opgenomen door de cello-solo, waarmee de introductie van de ouverture eindigt.
Hierop volgt het hoofddeel (Allegro risoluto) in sonatevorm, met een beweeglijk, enigszins schertsend hoofdthema en een meer zangerig tweede thema, beide hoogst eenvoudig van structuur.
Aan het eind van de expositie komt de langzame introductie terug, waarna een episode voor vier solo-violen tot de korte doorwerking leidt. De reprise brengt eerst het tweede thema terug en vindt haar hoogtepunt in het samengaan van het pompeuze Caecilia-lied met het beweeglijke hoofdthema.
Een korte coda met versnelde beweging besluit de ouverture. - GEZA FRID

Interesse
Heeft u interesse om dit werk aan te schaffen? Laat ons dit dan vrijblijvend weten zodat we dit werken met voorrang kunnen digitaliseren.
Naam
E-mail